Mendels ontwikkelingswet

In 1866 publiceerde een augustijnse monnik, Gregor Mendel, een verslag van een grootschalig experimenteel onderzoek naar de ontwikkeling van plantenhybriden. Hoewel dit paper, “Versuche über Pflanzen-Hybriden”, aanvankelijk nauwelijks aandacht kreeg, staat Mendel vanwege dit paper sinds het begin van de 20ste eeuw te boek als ‘de vader van de genetica.’

Dit is de tweede post in een serie over de mendeliaanse revolutie. Voor een goed begrip is het nodig de eerste post, “Het overlopende-meertjesmodel van transgenerationele ontwikkeling” (11 januari 2017), gelezen te hebben.

Sinds de tweede helft van de 18e eeuw bestond er in de Duits-sprekende wereld een traditie van onderzoek naar plantenhybriden (door kunstmatige bevruchting tot stand gekomen kruisingen tussen planten van op elkaar lijkende soorten of rassen). De bevindingen van deze ‘hybridisten’1 brachten Gregor Mendel (1822–1884), een augustijnse monnik verbonden aan het St. Thomas klooster in Brünn,2 ertoe op zoek te gaan naar de wetten volgens welke deze hybriden zich ontwikkelen. Daartoe deed hij tussen 1856 en 1863 een grootscheeps experiment met meer dan 28.000 erwtenplanten.

Mendel presenteerde de opzet van zijn experimenten, de resultaten en zijn analyse daarvan in 1865 in een tweetal lezingen voor het natuurwetenschappelijk genootschap van Brünn. In 1866 werd zijn verslag in de annalen van dit genootschap gepubliceerd onder de titel “Versuche über Pflanzen-Hybriden“.

Het St. Thomas klooster was indertijd een gerenomeerd centrum van wetenschapsbeoefening, waar veel onderzoek gedaan werd ter ondersteuning van de Moravische landbouw. De ontwikkeling van nieuwe rassen door hybridisatie werd in Moravië gezien als een belangrijke bron van economische vooruitgang in de sierteelt, de schapenteelt en de teelt van voedingsgewassen. Zowel Mendel als de abt van het klooster hoopten dat een beter inzicht in de manier waarop plantenrassen zich na hybridisering ontwikkelen de landbouw ten nutte zou komen. Ze dachten daarbij aan een betere voorspelling van de resultaten van kruisingen en een efficiënter aanpak van veredelingsprogramma’s.

Als exponent van de Unger-school (genoemd naar de Oostenrijkse botanicus Franz Unger, 1800–1870) in de wetenschappelijke botanie,3 had Mendel bovendien een theoretische motivatie voor zijn studie. In Ungers opvatting is elke natuurlijke ontwikkeling een wetmatig verlopend proces dat bepaald wordt door relatief simpele wiskundige wetten. Deze Entwicklungs-Gesetze zouden met behulp van een experimentele, kwantitatieve, statistische aanpak ontdekt kunnen worden.

In lijn met deze opvatting was Mendel er op uit de wetten van de ontwikkeling van hybriden bloot te leggen:

Werden zwei Pflanzen, welche in einem oder mehreren Merkmalen constant verschieden sind, durch Befruchtung verbunden, so gehen, wie zahlreiche Versuche beweisen, die gemeinsamen Merkmale unverändert auf die Hybriden und ihre Nachkommen über; je zwei differirende hingegen vereinigen sich an der Hybride zu einem neuen Merkmale, welches gewöhnlich an den Nachkommen derselben Veränderungen unterworfen ist. Diese Veränderungen für je zwei differirende Merkmale zu beobachten und das Gesetz zu ermitteln, nach welchem dieselben in den aufeinander folgenden Generationen eintreten, war die Aufgabe des Versuches (Mendel 1866, p. 7)

Het was in Mendels tijd bekend dat de kenmerken4 van hybriden lang niet altijd ergens tussen die van de ouders liggen. Van veel typen kenmerken bestaan er duidelijk onderscheiden vormen en is bij kruising van twee vormen één van beide kenmerken zo sterk dat de hybride als regel deze vorm heeft: de hybride van een plant met gladde erwten en een plant met gerimpelde erwten heeft meestal gladde erwten, de hybride van een plant met gele zaadlobben en een plant met groene zaadlobben heeft doorgaans gele zaadlobben.5

Het was ook bekend dat de ouderlijke kenmerken die in de hybride lijken te ontbreken in volgende generaties weer kunnen opduiken. Mendel noemt de kenmerken die onveranderd op de hybride overgedragen worden ‘dominant’ en de kenmerken die in de hybride verdwenen lijken te zijn ‘recessief’. Zijn experimenten beogen inzicht te verschaffen in de manier waarop deze twee typen (dominant en recessief) zich na hybridisatie van generatie tot generatie ontwikkelen.

Mendel ontdekte dat er een opmerkelijke regelmaat in deze ontwikkeling zit.

De hybriden van rassen die met betrekking tot precies één paar kenmerken verschillen, hadden met betrekking tot alle zeven onderzochte kenmerk-paren het dominante kenmerk. Mendel had de rassen zowel als de kenmerken daarop uitgezocht en/of gekweekt, dus dat is weinig opzienbarend.

Mendels bevindingen met betrekking tot de volgende generatie zijn echter een stuk interessanter. Met betrekking tot alle kenmerk-paren bleken de hybriden (die, zoals gezegd, alle de dominante vorm hadden) na zelfbestuiving nakomelingen te produceren met zowel dominante als recessieve kenmerken in ruwweg de verhouding 3:1.

Helemaal spectaculair wordt het als we naar de tweede, opnieuw door zelfbestuiving verkregen, generatie nakomelingen kijken (dus naar de nakomelingen van de nakomelingen van hybriden). Alle eerstegeneratie-nakomelingen met het recessieve kenmerk produceerden uitsluitend nakomelingen met het recessieve kenmerk. Eenderde van de eerstegeneratie-nakomelingen met het dominante kenmerk produceerden uitsluitend nakomelingen met het dominante kenmerk, terwijl 2/3 van de eerstegeneratie-nakomelingen met het dominante kenmerk zowel nakomelingen met het dominante als met het recessieve kenmerk produceerde, opnieuw in de verhouding 3:1.

Dit patroon zet zich in alle volgende generaties voort.

Klaarblijkelijk (klaarblijkelijk in Mendels ogen!) hebben we niet met twee, maar met drie kenmerken te maken: het dominante ouderlijke kenmerk (dat bij zelfbestuiving onveranderd van ouder op kind overgedragen wordt), het recessieve ouderlijke kenmerk (dat bij zelfbestuiving eveneens onveranderd overgedragen wordt) en een hybride kenmerk dat uiterlijk niet te onderscheiden is van het dominante ouderlijke kenmerk maar bij zelfbestuiving nakomelingen met alle drie de kenmerken produceert in de verhouding dominant ouderlijk : hybride : recessief ouderlijk van 1:2:1.

Mendels ontwikkelingswet

Het is in de verhouding van deze drie kenmerken dat de gezochte Entwicklungs-Gesetz zichtbaar wordt:

De verhouding dominant ouderlijk : hybride : recessief ouderlijk in generatie n is 2n-1 : 2 : 2n-1

In een tweede serie experimenten onderzoekt Mendel de ontwikkeling van hybriden na kruising van rassen die in meerdere kenmerken van elkaar verschillen.

Hij begint met een kruising van een ras met gele, gerimpelde erwten en een ras met groene, gladde erwten. De hybride produceert gele, gerimpelde erwten. Om te bepalen uit welke combinaties van ouderlijke en hybride kenmerken de eerste generatie nakomelingen bestaat, moest Mendel een tweede generatie opkweken.6 Nadat hij dit gedaan had, bleken in de eerste generatie nakomelingen alle mogelijke combinaties van ouderlijke en hybride kenmerken aanwezig te zijn en wel in de volgende verhoudingen: 1/9 van de planten had, in gelijke verhoudingen, een combinatie van uitsluitend ouderlijke kenmerken (geel+gerimpeld, geel+glad, groen+gerimpeld of groen+glad), 2/9 had, eveneens in gelijke verhoudingen, een combinatie van een ouderlijk kenmerk en een hybride kenmerk (geel+gerimpeld/glad, groen+gerimpeld/glad), geel/groen+gerimpeld, geel/groen+glad), 4/9 had twee hybride kenmerken (geel/groen+gerimpeld/glad). Dit is de verhouding die je verwacht als beide hybride kenmerken onafhankelijk van elkaar het ouderlijke dominante, het hybride en het ouderlijke recessieve kenmerk op hun nakomelingen overdragen in de verhouding 1:2:1.

De uitkomsten van kruisingen met alle andere combinaties van 2 verschillen, zowel als van kruisingen met 3 verschillen zijn in overeenstemming met deze conclusie.

Mendel vat de resultaten als volgt samen:

Versuchen wir die gewonnenen Resultate kurz zusammenzufassen, so finden wir, dass jene differirenden Merkmale, welche an den Versuchspflanzen eine leichte und sichere Unterscheidung zulassen, in hybrider Vereinigung ein völlig übereinstimmendes Verhalten beobachten. Die Nachkommen der Hybriden je zweier differirender Merkmale sind zur Hälfte wieder Hybriden, während die andere Hälfte zu gleichen Theilen mit dem Character der Samen- und Pollenpflanze constant wird. Sind mehrere differirende Merkmale durch Befruchtung in einer Hybride vereinigt, so bilden die Nachkommen derselben die Glieder einer Combinationsreihe, in welcher die Entwicklungsreihen für je zwei differirende Merkmale vereinigt sind (Mendel 1866, p. 23/24)

Vervolgens merkt hij op dat de gevonden regelmaat verklaard kan worden door aan te nemen dat planten ouderlijke kenmerken in aanleg onveranderd op de geslachtscellen overdragen, terwijl ze voor hybride kenmerken geslachtscellen met de aanleg voor het ene ouderlijke kenmerk én geslachtscellen met de aanleg voor het andere ouderlijke kenmerk produceren op zo’n manier dat alle mogelijke kenmerkcombinaties in ongeveer gelijke hoeveelheden geproduceerd worden.

Een hybride van gele en groene erwten produceert dus in gelijke hoeveelheden geslachtscellen met de aanleg voor gele zaadlobben en geslachtscellen met de aanleg voor groene zaadlobben. Volgens de regels van de combinatoriek hebben de door zelfbestuiving verkregen nakomelingen van deze hybriden (als ze in geëigende omstandigheden opgroeien) dan voor de helft een ouderlijk kenmerk (50% van de ene ouder en 50% van de andere) en voor de andere helft het hybride-kenmerk. Hetgeen de door Mendels ontwikkelingswet voorspelde verhouding 1:2:1 oplevert.

Een hybride met twee hybride kenmerken (geel/groen en glad/gerimpeld) produceert geslachtscellen met de aanleg voor geel+glad, geel+gerimpeld, groen+glad, groen+gerimpeld in gelijke hoeveelheden. Na enige rekenen zijn de gevonden kenmerk-verhoudingen daaruit af te leiden.

Mendels paper (1866) werd lauw ontvangen en snel vergeten.

Zoals Sander Gliboff in zijn ‘Gregor Mendel and the Laws of Evolution7 (1999) uiteenzet raakt het idee van verklarende ontwikkelingswetten in de Duitse botanie rond 1865 in diskrediet. ‘Wellicht,’ zo zal men (volgens Gliboff) gedacht hebben, ‘kan Mendels wet de verhoudingen tussen dominante en recessieve kenmerken in opeenvolgende generaties van hybriden correct voorspellen, maar wat voor inzicht biedt dat in datgene waar het ons omgaat, nl. het mechanisme van kenmerkoverdracht?’ Het feit dat de aanname dat planten voor hybride kenmerken in gelijke verhouding twee typen geslachtscellen produceert (voor elk ouderlijk kenmerk één) de gevonden ontwikkelingswet kan verklaren, leverde in hun ogen geen afdoende ondersteuning voor dat mechanisme.

Het idee dat de verschillende geslachtscellen die een organisme produceert niet allemaal dezelfde aanleg hebben, is heden ten dage een open deur. Ik vermoed echter (dit is pure speculatie die verder onderzoek behoeft!) dat men in Mendels tijd als vanzelfsprekend aannam dat alle geslachtscellen die een individu in een bepaalde periode produceert in aanleg gelijk zijn. Weliswaar is het binnen het overlopende-meertjesmodel mogelijk dat door overerving van verworven kenmerken de geslachtscellen die een organisme in opeenvolgende perioden produceert in aanleg verschillen, maar Mendels veronderstelling dat de verschillende geslachtscellen in één bloem (zelfs in één vruchtbeginsel) in aanleg van elkaar verschillen en dat de productie van die geslachtscellen bovendien zodanig georganiseerd is dat alle mogelijke combinaties van ouderlijke kenmerken in een hybride in gelijke hoeveelheden geproduceerd worden, lijkt binnen het overlopende meertjes-denken echter een nogal onwaarschijnlijke hypothese, waarvoor veel sterkere argumenten nodig zouden zijn dan een correcte voorspelling van de verhouding van dominante en recessieve kenmerken.

Met dank aan Henk Winters voor zijn commentaar op een eerdere versie van deze bijdrage en Josje Lodder voor haar hulp bij de constructie van het schema van Mendels ontwikkelingswet.

Geraadpleegde secundaire literatuur:

  • Peter J. Bowler, The Mendelian Revolution, Athlone, London (1989).
  • Bert Theunissen & Rob Visser, “Van groei naar genentransmissie”, hoofdstuk 12 van: De wetten van het leven, Ambo, Baarn (1996).
  • Sander Gliboff, ‘Gregor Mendel and the Laws of Evolution’, History of Science 37: 217-35 (1999).

  1. Twee vooraanstaande hybridisten uit die tijd: Joseph Kölreuter (1733–1806) en Karl Friedrich von Gärtner (1772-1850). 
  2. Mendel was de zoon van een arme boer. In 1843 greep hij de gelegenheid aan om aan de financiële zorgen en fysieke ellende in zijn familie te ontsnappen door toe te treden tot het augustijnse St. Thomas klooster in Brünn. De boerderij van Mendels familie stond in Heinzendorf dat destijds in Oostenrijks Silezië lag. Heden ten dage ligt Heinzendorf in Polen. Het nabijgelegen Brünn was destijds de hoofdstad van de mark Moravië, één van de drie staten van het Koninkrijk Bohemen. Na de Eerste Wereldoorlog werd Moravië aan de Eerste Tsjecho-Slowaakse Republiek toegewezen en werd Brünn herdoopt tot ‘Brno’. Tegenwoordig is Moravië een regio in Tsjechië. 
  3. Zie Sander Gliboff “Evolution, Revolution, and Reform in Vienna: Franz Unger’s Ideas on Descent and Their Post-1848 Reception” (1998). 
  4. In het bovenstaande citaat onderscheidt Mendel twee typen Merkmale: gemeinsame en differirende. Het onderzoek beperkt zich tot differirende Merkmale door mij kortweg als ‘kenmerk’ aangeduid. Mendels onderzoek betreft paren van duidelijk te onderscheiden kenmerken die elkaar uitsluiten: een zaadlob is groen of geel, een erwt glad of gerimpeld. 
  5. Mendel heeft het over ‘Färbung des Albumens’ en zegt daarmee op de kleur van het kiemwit (endosperm) te doelen. Erwten hebben echter voorzover ik weet geen endosperm. Ik ben er daarom vrijwel zeker van dat hij op de kleur van de zaadlobben (cotylen) doelt. Doordat de zaadhuid van de erwt behoorlijk transparant is, is die kleur goed te zien. Kortheidshalve zal ik het geregeld over gele en groene ‘erwten’ hebben. Het gaat dan dus over de kleur van de zaadlobben, niet over die van de zaadhuid. 
  6. Omdat erwten met een hybride kenmerk er net zo uitzien als erwten met het corresponderende dominante ouderlijke kenmerk, kun je immers aan het uiterlijk niet zien of een erwt het dominante ouderlijke kenmerk of het hybride kenmerk heeft. 
  7. Gliboff gebruikt de term ‘evolution’ hier in zijn oorspronkelijke (pré-darwiniaanse) betekenis als algemene aanduiding voor ontwikkelingsprocessen. 
Advertenties

, , ,

  1. #1 door Marleen op 19 januari 2017 - 03:49

    Een verhelderende post, ook voor wat betreft de omstandigheden waarin Mendel zijn werk deed.
    Nu vroeg ik me af of, wanneer er gebruikt wordt gemaakt van de term geslachtscellen in deze post, men toen al wist van het bestaan ervan en of je deze term dan niet zou moeten vermijden?

    Like

  2. #2 door Arno Wouters op 19 januari 2017 - 11:02

    Daar zeg je zowat Marleen. Mendel heeft het over ‘Keimzellen’ en ‘Pollenzelle’ die hij tezamen als ‘Befruchtungs-Zellen’ aanduidt. Ik heb dat ‘Befruchtungs-Zellen’ klakkeloos als ‘geslachtscellen’ vertaald. Nu ik er over probeer na te denken of dat terecht was, stuit ik op de vraag ‘wat moet men geweten hebben om te kunnen zeggen dat men van het bestaan van geslachtscellen wist?’ Daar kom ik zo gauw niet uit. Heb jij er ideeën over?

    Like

  3. #3 door Marleen op 20 januari 2017 - 09:49

    Ik denk dat in principe de term “geslachtscellen” wel genoemd mag worden, net zoals we nu van genen spreken terwijl we het over Darwins’ evolutietheorie hebben. Ik vroeg me inderdaad af wat men toen wist van geslachtscellen zowel van de fauna als van de flora. Daar weet ik zelf niets van en het leek me interessant in dit historisch verslag van Mendels’ werk te duiden wat men wist over en van geslachtscellen. Zelf heb ik geen historisch materiaal ter beschikking maar las in wikipedia het volgende:

    “Karl Ernst von Baer discovered the mammalian ovum in 1827, and Edgar Allen discovered the human ovum in 1928. The fusion of spermatozoa with ova (of a starfish) was observed by Oskar Hertwig in 1876.” In het artikel “Egg cell”.

    Maar vooral:

    “The name gamete was introduced by the Austrian biologist Gregor Mendel” in het artikel “gamete” van Wikipedia

    Maar dan (ergens op het net):

    gamete: “sexual protoplasmic body,” 1880, coined 1878 by German cytologist Eduard Strasburger (1844-1912), the widespread attribution of the word’s coinage to Mendel being apparently erroneous.

    Weer wat geleerd

    Like

  4. #4 door Arno Wouters op 20 januari 2017 - 11:26

    Dank voor je aanvulling Marleen!

    Volgens mijn informatie (deze keer afkomstig uit Ilse Jahn (ed.) Geschichte der Biologie, 3e druk 1998) was het de Britse embryoloog en geneticus William Bateson, één van de grondleggers van de mendeliaanse genetica, die rond 1905 de term ‘gamete’ introduceerde.

    Volgens datzelfde boek was de seksualiteit van planten sinds eind 17e eeuw min of meer bekend, maar er werd door natuuronderzoekers niet veel aandacht aan besteed. Pas toen Linnaeus rond 1750 zijn indeling van het plantenrijk op de voortplantingsorganen baseerde ging men naar wetenschappelijke bewijzen op zoek. Dankzij het werk van de hybridisten (de microsopen waren in die tijd niet goed genoeg om de bevruchting te kunnen waarnemen) werd de betekenis van de bloemetjes en bijtjes gedocumenteerd en zou het bestaan van bevruchting rond 1800 ruime erkenning vinden.

    Tien jaar later is de opvatting dat een plantenembryo ontstaat door versmelting van “Befruchtungs-Zellen’ (d.w.z. van een eicel met een of meer spermacellen) opnieuw onderwerp van controverse.

    Het begint ermee dat een aantal door de romantische Naturphilosophie beïnvloedde onderzoekers de opvatting ontwikkelt dat kunstmatige bevruchting geen inzicht in de natuurlijke gang van zaken kan geven. Deze onderzoekers moesten ook weinig hebben van Linnaeus classificatiesysteem, dat zij als onnatuurlijk beschouwden.

    Dit soort twijfels gaf een nieuwe impuls aan het onderzoek naar seksualiteit bij planten en er ontwikkelde zich een debat dat in brede intellectuele kring gevolgd werd. Zo schreef de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen in 1830 een prijsvraag uit over dit onderwerp. Misschien ging het om een niet al te klein bedrag, misschien was het een grote eer om een prijsvraag van deze Haarlemse club te winnen, het boek zegt er niks over, maar vermeldt wel dat deze prijsvraag de Duitse botanicus Gärtner aanzette tot een omvangrijke studie die hem in 1837 inderdaad de prijs van de Hollandsche Maatschappij opleverde.

    Mendels experimenten (hierboven beschreven) zijn onder andere ingegeven door de resultaten van deze studie van Gärtner.

    In dertiger jaren van de 19e eeuw komt ook het microscopisch onderzoek naar de bestuiving op gang (mede dankzij een verbeterde techniek: achromatische lenzen), maar de beelden zijn moeilijk te interpreteren. Men ziet de pollenbuis maar het is niet duidelijk of die buis in de eicel binnendringt of niet en al helemaal niet of er materiaal van de pollen naar de eicel overgebracht wordt.

    ‘Toevallig’ ontving ik vanochtend John Farleys Gametes and Spores (1982) een belangrijke studie naar de ideeën over seksuele voortplanting in de periode 1750–1914 (toevallig? natuurlijk niet! – ik heb dat boek besteld omdat er, toen ik het stuk over Mendel schreef, allerlei vragen bij me opkwamen over hoe men in die tijd en daarvoor over seksualiteit en voortplanting dacht).

    Een vluchtige blik leerde mij dat er rond 1850 een controverse bestond tussen enerzijds de hybridisten die de bevruchtingstheorie aanhingen en anderzijds cytologen die de theorie aanhingen dat de eicel weliswaar met spermacellen in aanraking moet komen voor zij tot ontwikkeling kan komen, maar dat er tijdens dat contact niet of nauwelijks materiaal overgedragen wordt.

    Het lijkt me duidelijk in welk kamp Mendel zich thuis voelde.

    Like

  5. #5 door Arno Wouters op 20 januari 2017 - 11:37

    Marleen, je schrijft:

    zoals we nu van genen spreken terwijl we het over Darwins’ evolutietheorie hebben.

    Ik heb het nog nooit over ‘genen’ als begrip in Darwins evolutietheorie gehad en zal dat ook nooit doen. Genen kwamen, net als mutaties, in mijn ogen pas ver na Darwin de evolutiebiologie binnen.

    Kan het zijn dat wij in het verleden regelmatig langs elkaar heen praatten omdat mijn ‘Darwins evolutietheorie’ sloeg op de theorie die Darwin in zijn Origin uiteenzette en jij dacht dat ik doelde op een of andere meer recente versie van die theorie? Of andersom dat jij het over de evolutietheorie van vandaag of gisteren had, terwijl ik meende dat je het over de theorie van Darwin had?

    Like

  6. #6 door Marleen op 23 januari 2017 - 18:16

    Sorry Arno voor de late reactie,

    Dankjewel voor het uitgebreide zoekwerk. Ik heb geen boeken ter beschikking over deze onderwerpen en moeten het doen met Wikipedia. Jouw toelichting is een heel mooie aanvulling en antwoord op mijn vraag.

    Voor wat betreft mijn opmerking over genen, ook ik ben me er bewust van dat Darwin daar niets van wist en dus niets over kon schrijven, maar het valt niet te ontkennen dat wanneer ik over de evolutie denk (in de begrippen waarmee Darwin werkte; natuurlijke selectie bijvoorbeeld) tegelijk ook denk over genotype en fenotype, genomen en genen. Het zal dan niet juist zijn, maar we (ik) denken nu eenmaal met het totaal aan informatie dat we hebben en moeten er speciaal moeite voor doen om ons te verplaatsen in de tijd van de auteurs van wetenschappelijke publicaties.

    Het kan daarom inderdaad goed zijn dat wij langs elkaar heen praatten. Ik ben niet zo strict in het hanteren van het begrip evolutietheorie. Meestal spreek ik niet van Modern Synthesis wanneer ik over evolutie spreek. Maar als wij (jij en ik) expliciet Darwins’ evolutietheorie noemen met de aanduiding Darwin dan is het zeker duidelijk. Ik weet dan niet hoe wij moeten spreken over de nu geldende evolutieleer. Ik ben persoonlijk geen voorstander van de Extended Evolutionary Synthesis. En ik ben ook geen mutationist. Dus willen wij het over dezelfde theorie hebben dan moeten we dat afspreken.

    Like

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: